Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
Infoblad duurzaam bouwen en verbouwen door BRI Groep
dit is een eerste opzet , waarin BRI Groep zijn beleving onderbouwt inzake Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen met als onderdeel daarvan duurzaam bouwen. Een deel van bovenstaande teksten zijn overgenomen van Vrom en Senternovem en bewerkt door BRI Groep.
Aan het eind komen wetenswaardigheden, die wellicht zinnig kunnen zijn voor algemene kennisname door projectleiders/inregeltechnici/monteurs of wie dan ook, om daarmee het energiebewustzijn te vergroten.
Introductie
Met duurzaam bouwen belasten we - nu en in de toekomst - het milieu zo min mogelijk bij het bouwen, gebruiken, renoveren of slopen van gebouwen. Duurzaam bouwen draagt daarmee bij aan de oplossing van wereldwijde milieuproblemen als de klimaataantasting door broeikasgassen en het opraken van grondstoffen.
Duurzaam bouwen en verbouwen betekent meer dan milieuvervuiling voorkomen of energie besparen. Duurzaam bouwen houdt tevens in kiezen voor de oplossing die het minst milieubelastend is. Dit is het beste voor het welzijn van mensen en daarbij ook kostenefficiënt. Dit proces begint al bij de opdrachtgever die aangeeft welke duurzame kwaliteit hij wenst.
Denk bij duurzaam bouwen en verbouwen onder andere aan de volgende 'stelregels':
- Bouw gezonde,veilige en comfortabele gebouwen en wijken die wensen van gebruikers en veranderingen in de tijd moeiteloos kunnen verwerken
- Stem het ontwerp en de materiaalkeuze daarom af op zowel de functie als de gewenste levensduur van het gebouw. Houd bij gebouwen met een beoogde lange levensduur rekening met mogelijkheden voor verandering van functie en gebruik.
- Kies voor energiebesparende maatregelen, duurzame energiebronnen en stem dit af op het beheer van het gebouw
- Kies voor materialen/producten die weinig milieubelastend zijn (vervuiling van lucht, water en boden) en die in de gebruik- en afvalfase zo weinig mogelijk problemen opleveren.
De zorg om het milieu, aantasting van de ozonlaag en het opraken van grondstoffen is niet nieuw. Al in de jaren zeventig ontstond (ook door een tijdelijke schaarste aan olie in de westerse landen) beleid en ideeën om energie te besparen. Vanaf eind jaren tachtig verbreedde het denken zich naar duurzame ontwikkeling. Het idee was om voortaan zo te ontwikkelen dat toekomstige generaties geen schade leden onder onze activiteiten, en ook nog in staat zouden zijn in hun eigen behoeftes te voorzien.
Duurzame ontwikkeling betekent voorzien in de behoeften van de huidige generatie, zonder daarmee voor toekomstige generaties de mogelijkheid in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Dit idee komt uit het zogenoemde 'Brundtland-rapport.'
Inmiddels staat duurzaamheid nog steeds sterk in de belangstelling. Een voorbeeld en oorzaak daarvan is de film An Inconvenient Truth van Al Gore. De overheid, maar ook de marktpartijen hebben duurzaam bouwen, waaronder energiebesparing, stevig op de agenda staan.
Trias Energetica
een driestappenstrategie om energie effectief en efficiënt te gebruiken en te besparen. Deze manier van denken in drie stappen is ook toepasbaar op bijvoorbeeld materialen, water, enzovoort.
- Stap 1 Gebruik zo min mogelijk energie.
- Stap 2 Gebruik duurzame energie, zoals zonne-energie of windenergie.
- Stap 3 Gebruik energie van bronnen die op kunnen raken (aardgas, kolen) zo slim mogelijk.
Voor duurzaam bouwen: neem zoveel mogelijk maatregelen in stap 1, kan dat niet meer, neem dan maatregelen uit stap 2 en als het echt niet anders kan maatregelen uit stap 3.
Minder energiegebruik
De eerste stap is besparen op energiegebruik. Daar kan de ontwerper van een gebouw voor zorgen, bijvoorbeeld door het gebouw goed te isoleren. Ook de gebruiker van het gebouw kan veel besparen, bijvoorbeeld door de kachel lager te zetten of lichten uit te doen. Op de website www.meermetminder.nl staat informatie over hoe mensen thuis en op het werk energie kunnen besparen.
Duurzame energie
De tweede stap is het gebruiken van duurzame energie. Duurzame energie is energie van bronnen die niet 'op' kunnen raken en het milieu weinig belasten. Zonnecellen en windmolens zijn bekende voorbeelden van energie opwekken uit duurzame bronnen. Maar er zijn meer mogelijkheden, zoals het gebruiken van de warmte die in de bodem zit. Op de website www.duurzame-energie.nl van Milieu Centraal vindt u meer informatie over duurzame energie.
Eindige bronnen
De derde stap is energie van 'eindige' bronnen zo slim mogelijk gebruiken. Eindige energiebronnen zijn grondstoffen voor energie die op kunnen raken. Aardgas bijvoorbeeld, of kolen waarmee elektriciteit wordt opgewekt. Deze energiebronnen raken op en zijn bovendien belastend voor het milieu. Deze energie moet zo verstandig mogelijk worden gebruikt. In woningen bijvoorbeeld door voor verwarming een ketel te gebruiken die met weinig gas veel warmte geeft: een hoogrendementketel (HR-ketel).
Cradle to Cradle: duurzame manier van ontwerpen, waarbij afval niet meer bestaat, omdat ieder product weer het begin is van een nieuw product.
Cradle to Cradle (C2C) is een manier van ontwerpen, bedacht door architect William McDonough en chemicus Michael Braungart. Zij ontwerpen producten als in een ecosysteem: een geheel van dieren en planten waarin ieder onderdeel een functie heeft voor de andere onderdelen. Producten moeten dus zo worden gemaakt dat ze na gebruik van waarde zijn en als voeding of grondstof kunnen dienen voor nieuwe producten.
Een product is bij C2C na gebruik geen afval meer, maar een grondstof van een nieuw product. Dat gaat verder dan recycling, omdat bij C2C geen sprake is van restafval en omdat er bij C2C geen kwaliteit verloren gaat. De bedenkers van het concept noemen de huidige vorm van recycling downcycling. Daarmee geven ze aan dat bij het traditionele hergebruik altijd iets van de oorspronkelijke waarde van het product verloren gaat. De meeste producenten proberen zo efficiënt mogelijk met grondstoffen om te gaan. Zo min mogelijk verspillen en het schadelijke effect van de stoffen zoveel mogelijk beperken. In het C2C concept is ‘minder verspillen' en ‘beperken van schadelijke effecten' niet voldoende. Het is vergelijkbaar met wandelen in plaats van hardlopen naar de afgrond; je komt toch in die afgrond, dus de richting blijft verkeerd. C2C wil een andere kant op, wil juist iets toevoegen aan de omgeving door het ontwerpen van producten.
Gescheiden
Bij ontwerpen volgens C2C is het belangrijk om biologische en technische grondstoffen gescheiden te houden. Ze horen niet in elkaars systeem en moeten ieder in hun eigen cyclus verwerkt worden. Het is dus van belang dat een product na gebruik uit elkaar gehaald kan worden, zodat de biologische en technische grondstoffen ieder in hun eigen kringloopt teruggebracht kunnen worden.
Gebouwen die ontworpen zijn volgens het C2C-principe, zijn een meerwaarde voor de omgeving waarin ze staan. Bijvoorbeeld:
- het afgevoerde water is schoner dan het toegevoerde water;
- de gebouwen leveren meer energie dan ze gebruiken;
- de onderdelen waarmee het gebouw gemaakt is kunnen na gebruik weer terugkeren in de (biologische of technologische) kringloop.
Duurzame kwaliteit
Bij duurzaam bouwen en verbouwen draait het erom de kwaliteit op het gebied van People, Planet en Prosperity te verbeteren ten opzichte van de huidige situatie, zonder dat er afval, vervuiling enzovoort wordt afgewenteld naar elders of later. Het tegengaan van klimaataantasting (beperking broeikasgassen) en uitputting van grondstoffen zijn daarbij belangrijke vraagstukken.
Kwaliteitsniveaus
Om te bepalen hoe duurzaam gebouwen en bouwwerken zijn, kijk je naar de kwaliteitsniveaus van:
- De milieueffecten van energie-, materiaal- en waterverbruik,
- Gezondheid
- Toekomstwaarde (flexibiliteit, recyclebaarheid, klimaatbestendigheid).
Voor stedelijke gebieden komen hier nog de prestaties op het gebied van mobiliteit, ruimte- en landgebruik bij.
Beschrijf bij formuleren van ambities en programma's van eisen nadrukkelijk welke kwaliteitsniveaus gehaald moeten worden. Neem deze zo op in overeenkomsten dat ze eenduidig en eenvoudig te controleren zijn.
Voordelen duurzaam bouwen
Op de lange termijn leidt duurzaam bouwen tot minder belasting van het milieu en tot minder uitstoot van gassen als CO2 (en daarmee tot minder klimaataantasting). Maar duurzaam bouwen heeft ook op de korte termijn voordelen, zoals grotere tevredenheid van bewoners en besparing van geld door bijvoorbeeld minder materiaalgebruik.
Een duurzaam gebouw of omgeving is prettig om in te leven en te werken. Dat betekent comfortabele woningen of een betere werksfeer, hogere productiviteit en minder ziekteverzuim of een sterkere (sociale) binding met de omgeving. Daarnaast leveren duurzame gebouwen op de lange termijn een gunstig financieel rendement.
De voordelen op een rijtje:
- Minder schadelijke effecten voor de gezondheid en het milieu, door duurzame energievoorzieningen en materialen die het milieu minder belasten.
- Toekomstgerichte en flexibele gebouwen die lange tijd meegaan en makkelijk aan te passen zijn aan veranderde wensen van gebruikers.
- Vermindering van het broeikaseffect, de ontbossing en de negatieve milieueffecten van grondstofwinning en -gebruik.
Dilemma's
Duurzaamheid is altijd een totaalplaatje, dat uit een aantal factoren bestaat:
- besparen van materiaal, energie en geld,
- voorkomen van milieubelasting, zowel nu als in de toekomst,
- zorgen voor welzijn en gezondheid.
Het vinden van een goede balans en samenhang tussen de ecologische, fysieke, sociale en economische doelen gaat niet altijd even probleemloos. De opgave bij duurzaam bouwen is om altijd het ideale snijpunt te vinden tussen sociale, financiële en milieufactoren. Soms lijkt iets een dilemma, maar is het bij nadere beschouwing niet. 'Duurzaam bouwen is duur' is zo'n schijnbaar struikelblok. Of duurzame maatregelen 'duur' zijn hangt erg af van het perspectief. Op korte termijn vragen ze soms inderdaad een grotere investering, op de lange termijn verdienen ze zichzelf vaak terug. Niet alleen voor de eindgebruiker, ook voor de eigenaar/ontwikkelaar.
Druk de voordelen van het duurzame gebouw - vooral de voordelen die mensen tijdens het gebruik van het gebouw merken - uit als een waardering van het gebouw. Deze waardering kan dan weer een onderdeel zijn van de exploitatieopzet.
Bouwen en beheren
Duurzaam bouwen betekent met een langetermijnblik naar steden, wijken en gebouwen kijken. Dat houdt in:
- Voorkom belasting van het milieu. Bij de bouw, maar ook later als het gebouw niet meer voldoet.
- Bekijk eerst of een gebouw in aanmerking komt voor renovatie of herbestemming, voordat je kiest voor slopen.
- Bouw het gebouw zo, dat het in de toekomst makkelijk is aan te passen aan de wensen van (nieuwe) gebruikers.
- Pas duurzame technieken toe om energie, materiaal en geld te besparen.
- Zorg dat energiezuinig gebruik en beheer van het gebouw eenvoudig is voor gebruikers.
Proces
Bij duurzaamheid gaat het om integraal denken en werken. Knip het proces dus niet op in losse stappen, die door verschillende partijen worden uitgevoerd. Zorg dat in het proces altijd het geheel wordt bewaakt. Binnen dat proces zijn drie stappen te onderscheiden, die - zoals gezegd - niet los van elkaar staan, maar een geheel zijn.
Drie stappen van een duurzaam bouwproces:
1. Creëer draagvlak
Zorg dat alle medewerkers van de verschillende partijen het belang van duurzaam bouwen onderkennen en bereid zijn er over na te denken. Zorg ook voor openingen om eventuele belangenverschillen op te lossen. Door veel met elkaar te praten, voorbeelden te laten zien, standpunten uit te wisselen en zo een gezamenlijk beeld op te roepen, ontstaat draagvlak. Houd dat draagvlak vast door af en toe met alle partijen de voortgang te bespreken. Check bij die gelegenheid of iedereen nog hetzelfde beeld voor ogen heeft.
2. Ambities
Stel ambities en formuleer die in functionele beschrijvingen van het gebouw of bouwwerk. Besluit welke aspecten van duurzaam bouwen in ontwerp en beheer worden uitgevoerd. Onderzoek wat de wettelijke eisen zijn en of het mogelijk is een hogere kwaliteit dan het wettelijk minimum te realiseren. 'Hoe ambitieuzer, hoe duurzamer' geldt over het algemeen, maar ambities moeten wel realistisch zijn. Het moet technisch en financieel wel kunnen. Te hoge ambities zijn demotiverend.
3. Vasthouden ambities
Houd de ambities vast en werk de functionele beschrijvingen uit in programma's van eisen, bestekken en dergelijke. De praktijk is weerbarstiger dan de theorie. Beschrijf het project eenduidig en controleerbaar, zodat iedere betrokkenen hetzelfde beeld heeft van wat er wordt verwacht. Beschrijf de duurzame kwaliteiten die u wilt bereiken bij voorkeur prestatiegericht. Als zich tijdens de bouw onverwachte zaken voordoen - bijvoorbeeld een bepaald materiaal is niet op tijd te verkrijgen - zoek dan naar een gelijkwaardige oplossing die aan de prestatie tegemoet komt. Bewaak de ambities dus zorgvuldig, bijvoorbeeld via het kwaliteitsprincipe van Plan - Do - Check - Act.
Communicatie
Tijdens het hele proces is communicatie de doorslaggevende factor. Veel van de betrokkenen zullen op een andere manier moeten werken en denken dan ze gewend zijn. Om dat in goede banen te leiden is goede communicatie van groot belang.
Succesfactoren
- Wees blijvend ambitieus.
- Zorg voor intern en bestuurlijk draagvlak en behoud dat tijdens het ontwerp- en bouwproces
- Zorg voor samenwerking tussen en een gelijke focus bij alle partijen
- Betrek omwonenden en toekomstige gebruikers bij het project
- Gebruik creatieve en/of gestructureerde werkvormen
- Leer van ervaringen van anderen
- Inspirerende partijen overbruggen hobbels
- Onderhandel goed met leveranciers
- Wees realistisch
Nieuw bouwen
De vraag naar woningen en utiliteitsgebouwen blijft groeien. Het renoveren of herbestemmen van woningen of kantoren is een duurzame oplossing om aan die vraag te voldoen. Maar daarmee wordt nog lang niet aan alle vraag voldaan; er moet nieuw worden gebouwd. Aandachtspunten bij duurzame nieuwbouw zijn onder andere:
- Vermijd belasting van het milieu door materialen en het bouwproces;
- Het beperken van energiegebruik tijdens de bouw en bij gebruik van het gebouw (de energieprestatie van het gebouw);
- De levensduur en flexibiliteit van het gebouw: is het ook op langere termijn bruikbaar, eventueel voor andere functies?
- Zorg dat de gebouwen veilig, gezond en comfortabel zijn in het gebruik
Energieprestatie gebouwen
In de energieprestatienorm (EPN) voor de nieuwbouw staat hoe de energie-efficiëntie van een nieuw gebouw of een nieuwe woning in één getal kan worden uitgedrukt. Er is een EPN voor woningen en een EPN voor kantoren en andere utiliteitsgebouwen. Het resultaat van de berekening volgens de EPN is de energieprestatiecoëfficiënt (EPC). De EPC drukt globaal uit hoe energiezuinig een gebouw is. Hoe lager de EPC, hoe zuiniger het gebouw. Bij het berekenen van de EPC ga je uit van een gemiddeld energiegebruik door de gebruikers van het gebouw. De EPC houdt dus geen rekening met zuinige of juist verspillende gebruikers.
In de berekening van de EPC wordt onder andere bekeken:
- Hoeveel energie er nodig is om de ruimtes en het water te verwarmen;
- Hoeveel warmte er verloren gaat door ventilatie, of via de ramen, vloer, dak en buitengevels;
- Hoeveel energie de apparaten die bij het gebouw horen (ventilatoren, pompen, ketels, enzovoort) gebruiken.
Het berekenen van de EPC bij nieuwbouw is wettelijk verplicht. De EPN is gepubliceerd in de normbladen NEN 5128 (woningbouw) en NEN 2916 (utiliteitsbouw).
Lente-akkoord
De Rijksoverheid (ministeries van VROM en WWI) hebben samen met bouwende partijen en opdrachtgevers afgesproken de komende jaren de EPC van nieuwbouw steeds lager te maken. In april 2008 sloten zij hierover het Lente-akkoord. De partijen willen in 2015 bijvoorbeeld 50 % energiezuiniger bouwen dan nu. Het uiteindelijke doel is om vanaf 2020 energieneutraal (met een EPC van 0) te bouwen. Kijk voor informatie over dit akkoord op de website www.lente-akkoord.nl.
Duurzaam ontwerpen
Ontwerpen van duurzame gebouwen gaat verder dan energiebesparende technieken gebruiken. Een duurzaam gebouw vraagt niet alleen te kijken naar energiebesparing, maar ook naar de milieueffecten van materiaal- en watergebruik, gezondheid, de toekomst van het gebouw, enzovoort. Hierbij is niet alleen de bouw belangrijk, maar ook de vervangbaarheid van bouwdelen en installaties.
Tips voor duurzaam ontwerpen:
- Maak de duurzaamheidambities en -doelen van de opdrachtgever concreet in functies van het gebouw.
- Ga bij het ontwerpen uit van die ambities en behandel de duurzaamheidkenmerken van het gebouw integraal. Geef een bepaalde kwaliteit, bijvoorbeeld een gezond of flexibel gebouw zo nodig een extra accent.
- Bouw zo mogelijk Industrieel, Flexibel en Demontabel; (interne link, pagina IFD)
- Maak zo mogelijk lichte constructies, dat scheelt materiaal.
- Gebruik bij tijdelijke gebouwen (bijvoorbeeld noodscholen of -ziekenhuizen) lichter en herbruikbaar materiaal, zonder dat de veiligheid of gezondheid hierbij in het geding komt.
- Houd rekening met de wensen van de gebruiker wat betreft binnenklimaat, maten, onderhoudsvriendelijkheid en flexibele indeling.
Integraal ontwerpen
Bij integraal ontwerpen worden alle aspecten van een ontwerp (fysieke, sociale, economische, enzovoort) in samenhang ontworpen. Het resultaat is een duurzaam, onderhoudsvriendelijk en energiezuining gebruik van de gebouwde omgeving. Een integraal ontwerp koppelt de verschillende levensfasen aan elkaar, integreert de uitvoeringsaspecten en neemt gebruiksaspecten op in ontwerp en uitvoering.
Om een gebouw, wijk of omgeving integraal te ontwerpen is een multidiscliplinair team nodig. De samenwerking bestaat onder andere uit het gelijktijdig uitvoeren van werlzaamheden, in plaats van na elkaar. Onder andere daarom vraagt integraal ontwerpen goede sociale en communicatieve vaardigheden van een team.
BREEAM-NL
Dit is een beoordelingsmethode om duurzaamheid van gebouwen te bepalen. BREEAM staat voor Building Research Establishment Environmental Assessment Method en werd oorspronkelijk ontwikkeld en geïntroduceerd door het Building Research Establishment (BRE). De toevoeging NL maakt duidelijk dat het hier om de Nederlandse versie gaat. BREEAM-NL is specifiek bedoeld voor certificatie van nieuwbouw en grote renovatieprojecten.
Het systeem weegt een aantal duurzame kwaliteitsaspecten van het gebouw; als totaalscore krijgt een gebouw een waardering als pass, good, very good, excellent of outstanding. Kijk voor informatie over BREEAM-NL op de website. http://www.breeam.nl
Materiaalkeuze
De bouwsector is een grote bron van vervuiling voor het milieu. Niet alleen door energiegebruik, maar ook omdat materialen die in de bouw gebruikt worden het milieu belasten. Denk bij het bouwen dan aan het grondstofgebruik, emissies (uitstoot/lozing van stoffen) bij winning van grondstoffen, productie van bouwdelen en het transport daarvan. Is het gebouw eenmaal in gebruik komt de milieubelasting van bijvoorbeeld de emissie naar bodem en oppervlaktewater.
Materiaalgebruik
Ook op materiaalgebruik zijn de drie stappen van de Trias Energetica van toepassing:
- Voorkom onnodig gebruik (en dus ook verspilling). Beperk het gebruik van grondstoffen. Niet bouwen of minder bouwen heeft veel meer effect dan de keuze tussen materiaal A of B.
- Gebruik eindeloze bronnen. De keuze voor vernieuwbare/groene grondstoffen, zoals duurzaam geproduceerd hout, vlas, leem, enzovoort beperkt het gebruik van (eindige) primaire grondstoffen. Deze grondstoffen veroorzaken relatief weinig milieudruk.
- Gebruik eindige bronnen effectief. Kies bijvoorbeeld voor 'lichte constructies', gebruik secundaire grondstoffen (reststoffen bij productie of grondstoffen uit bouw- en sloopafval, zoals meng- en betongranulaat), overweeg de toepassing van sloop- en/of kringloopmaterialen, maak constructies demontabel en pas prefab-onderdelen toe (deze geven minder bouwafval en maken gecontroleerde verwerking mogelijk). Maar ook: zorg voor het sluiten van bouwstofkringlopen, vermijd stoffen en materialen met negatieve milieueffecten, enzovoort.
Vernieuwbare grondstoffen: goed alternatief
Vernieuwbare grondstoffen kunnen een interessant alternatief zijn voor eindige grondstoffen, bijvoorbeeld als (bouw)materialen of in consumentenproducten. Er moet nog veel onderzocht worden over producten die zijn gemaakt van deze grondstoffen: wat is de levensduur, hoe goed zijn ze bestand tegen aantasting door weersinvloeden (UV, vocht), enzovoort. Daarom worden deze materialen tot nu toe vooral toegepast voor binnentoepasingen waarbij die weersinvloeden te verwaarlozen zijn. Maar onderzoek en nieuwe ontwikkelingen gaan snel, zodat diverse materialen steeds beter worden.
Producten van vernieuwbare grondstoffen hebben ook eigenschappen die producten die zijn gemaakt op basis van aardolie niet bezitten. Zo vertragen vlasvezels en schapenwol de doorgifte van warmte vier maal beter dan de grootschalig toegepaste isolatiematerialen. Daarnaast reguleren deze isolatiematerialen de luchtvochtigheid in gebouwen beter dan reguliere isolatiematerialen.
Vervuiling door bouwmaterialen naar de directe leefomgeving
Gebouwen kunnen ook grond- en oppervlaktewater, bodem en lucht vervuilen. In belangrijke mate gaat het dan om de zogenoemde diffuse bronnen zoals bijvoorbeeld bestrijdingsmiddelen uit de landbouw, uitlaatgassen van auto's bouwmetalen als zink, koper en lood. De voornaamste verontreinigingsbronnen uit de bouw zijn:
- Uitlogen van (zware)metalen uit bouwmaterialen. Bij uitlogen lossen stoffen die in vaste vorm in bijvoorbeeld bouwmaterialen zitten, op in water of lucht. Op die manier komen uit bouwmaterialen zink, koper en lood in het water of de lucht terecht. Het zink, koper en lood dat in het oppervlaktewater zit, is voor een belangrijk deel afkomstig uit bouwmaterialen: ongeveer 10 % van het zink, circa 35% van het koper en circa 30% van het lood.
Voor meer informatie over watervervuiling en mogelijke oplossingen, kijk op de website www.helpdeskwater.nl.
IFD-bouwen
Organisaties die vanuit kantoren werken, verhuizen gemiddeld iedere vijf jaar. Een huishouden dat een woning bewoont verhuist ongeveer iedere 16 jaar. Na bijna iedere verhuizing wordt het kantoor of de woning aangepast aan de wensen en behoeften van de nieuwe gebruikers. Niet alle gebouwen zijn goed voorbereid op aanpassingen in het gebruik ervan. Die aanpassingen leveren afval op en kosten nieuwe materialen, geld en tijd. Daarnaast veroorzaken die aanpassingen overlast.
Deze verspilling is op te lossen door industrieel, flexibel en demontabel (IFD) te bouwen, waardoor een gebouw met een vrije indeelbaarheid ontstaat. IFD-gebouwen kunnen heel eenvoudig en met weinig afval of materiaal worden aangepast aan veranderende wensen en behoeften.
Industrieel Flexibel en Demontabel
Onderdelen van het gebouw worden niet op de bouwplaats gemaakt, maar in de fabriek (industrieel). Dus onder goede omstandigheden en seriematig. Deze onderdelen worden zo in elkaar gezet, dat ze vrij makkelijk weer uit elkaar te halen zijn (demontabel). Het voordeel hiervan is een schone bouwplaats, korte bouwtijd en een verminderde kans op faalkosten. Het gebouw is hierdoor flexibel: het kan eenvoudig worden uitgebreid of anders ingedeeld.
Bij een gebouw met korte levensduur (korter dan 20 jaar) legt de bouwer de nadruk op het gebruik van grondstoffen die vernieuwd kunnen worden en op demontabel bouwen om bouwdelen weer te kunnen hergebruiken. Daarmee wordt het milieu minder belast.
Bij een gebouw dat lang mee moet gaan, legt de bouwer de nadruk op een constructie en afbouw die ervoor zorgt dat de indeling eenvoudig veranderd kan worden. Ook hier gebruikt hij demontabele onderdelen, zodat het gebouw nog flexibeler wordt.
Voordelen van IFD-bouwen
- IFD-gebouw voldoet aan de wensen van (steeds andere) gebruikers.
- IFD-gebouw wordt aangepast, in plaats van gesloopt en nieuw gebouwd, dat scheelt afval en materialen.
- Industriele standaardonderdelen zijn sparen kosten en milieu bij productie en in gebruik.
- De meeste IFD-gebouwen hebben een korte bouwtijd.
- Van te voren geproduceerde bouwonderdelen zijn een oplossing op bouwplaatsen met weinig ruimte waar die onderdelen niet gebouwd kunnen worden.
- IFD-gebouwen zijn aantrekkelijk voor vastgoedbeleggers: omdat de gebouwen zo flexibel zijn, kunnen ze aan de veranderende vraag blijven voldoen.
Energiezuinige utiliteitsgebouwen
Veel van de aandachtspunten en regels voor energiezuinige nieuwbouw gelden zowel voor woningbouw, als voor utiliteitsgebouwen. Voor utiliteitsgebouwen (zoals kantoren, ziekenhuizen, scholen, winkels enzovoort) zijn er speciale aandachtspunten.
Binnenklimaat en energiezuinigheid
Een gezond binnenklimaat is een basisconditie om de gebruiker zich 'prettig' te kunnen laten voelen. Maar niet álle gebouwen - en zeker niet de wat oudere - bieden voldoende basiscondities. Vaak ligt de oorzaak in een niet goed ingeregelde klimaatinstallatie of airconditioning: de inregeling of instelling sluit dan niet (meer) aan bij de dagelijkse behoefte. Afstemmingsproblemen als deze komen niet zo maar uit de lucht vallen. Ze zijn vaak het gevolg van veranderende functies van afdelingen, een aanzienlijke toename van apparatuur of de ontwikkeling van aanbouw. Een gebouw waarin het systeem niet goed functioneert, veroorzaakt haast altijd ongemak en onbehagen. Niet zelden leidt het zelfs tot verminderde prestaties en - in het ergste geval - ziekteverzuim.
Zorg dat energiezuinige maatregelen altijd in samenhang worden beschouwd met voorzieningen die een gezond binnenklimaat moeten waarborgen; energiezuinigheid moet immers niet leiden tot een slecht binnenklimaat.
Zonlicht/daglicht
Naast luchtverversing is daglicht en opwarming door zoninstraling een belangrijk aandachtspunt bij duurzame utiliteitsbouw. Zonnewarmte leidt in een kantoorgebouw namelijk eerder tot warmteoverlast.
Tegelijkertijd is het gunstig om in utiliteitsgebouwen gebruik te maken van daglicht. Daglicht heeft grote invloed op het welzijn van mensen. Daarnaast bespaart het benutten van daglicht energie, omdat er minder kunstlicht nodig is. Optimaal gebruik maken van daglicht in een gebouw en ongewenste zoninstraling tegengaan vraagt een integraal ontwerp. Er zijn namelijk veel factoren om rekening mee te houden.
Gebruik van het gebouw
Hoe energiezuinig een gebouw is hangt ook af van het gedrag van de gebruikers. Dat gedrag is voor een deel te beïnvloeden met de juiste installaties, zoals bewegingsdetectoren aan de verlichting, of systemen die de temperatuur constant houden (zoals bijvoorbeeld klimaatplafonds). Maar de rest van de besparing komt voor rekening van de gebruikers. Zij moeten denken aan regels als de verwarming niet te hoog zetten, apparaten niet onnodig aan laten staan, lampen uitdoen enzovoort.
Energiebesparing in bedrijven
Bij de meeste organisaties die vanuit een kantoor werken bestaat 20% van de bedrijfskosten uit energiekosten. Energie besparen is dus niet alleen maatschappelijk verantwoord, maar ook financieel interessant. Bedrijven die kosten en milieu willen sparen kunnen energiezorg invoeren in hun organisatie. Energiezorg betekent structureel en steeds opnieuw maatregelen nemen om het gebruik van energie te verminderen.
Zet de volgende stappen:
- Schrijf beleid voor het besparen op energie;
- Plan de acties in die de organisatie moet ondernemen;
- Voer de maatregelen uit;
- Controleer de resultaten;
- Maak op basis van de resultaten nieuw beleid.
Leven met water
De klimaatverandering leidt tot een stijgende zeespiegel, tot overvloedige regenval en tot overstromingen van binnenwateren (rivieren). Op dit moment is Nederland goed beschermd tegen het water. Mede dankzij die bescherming zijn we een dynamisch land waarin mensen met een gerust hart wonen, werken en leven. Dat willen we zo houden. Oók over honderd jaar, als de zeespiegel een meter hoger zou kunnen liggen dan nu en de rivieren hun water moeilijker kwijt kunnen.
Opvangcapaciteit
Door de hevige regenbuien als gevolg van de klimaatverandering moet in stedelijke gebieden soms in korte tijd veel water worden afgevoerd. Soms is het riool dan overbelast en kan het water niet weg. Het is zinvol om in die gebieden te zorgen voor extra opvangcapaciteit in vijvers, in een waterplas in de wijk, enzovoort.
Positieve invloed
Water is uiteraard niet alleen een maatschappelijk probleem, het biedt ook veel mogelijkheden. Water in de stad bijvoorbeeld heeft een positieve invloed op het welzijn van mensen en het gaat bij hitte de opwarming van steden tegen. Daarnaast is ruimte voor water te combineren met ruimte voor wonen, bijvoorbeeld door drijvende woningen te bouwen.
In de Nota Ruimte wordt water gezien als een belangrijk, structurerend principe voor bestemming, inrichting en gebruik van de ruimte. De Nota Ruimte gaat eerst uit van het vasthouden of bergen van water. Alleen als het niet anders kan wordt water op een plek afgevoerd of aangevoerd. Het idee is om bij inrichting van de ruimte mee te bewegen met water en erop te anticiperen. Het beleid heeft drie uitgangspunten:
- Behoud langs de grote rivieren en de kust ruimte die al beschikbaar is voor water, zodat bescherming tegen overstromingen in stand blijft. Maak waar nodig extra ruimte voor het water.
- Ga bij het bestemmen, inrichten en gebruiken van ruimte uit van de strategie: eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren, zodat problemen met de hoeveelheid (grond)water voorkomen worden.
- Voorkom vervuiling van grond- en oppervlaktewater bij het bestemmen, inrichten en gebruiken van ruimte. Handel volgens de strategie: eerst vervuiling voorkomen, dan water van verschillende kwaliteit scheiden en dan pas zuiveren.
Kennisprogramma Leven met Water
Dit programma wil duurzaam waterbeheer in Nederland op gang brengen. Door de klimaatverandering moeten we op een andere manier met water omgaan: niet langer strijden tegen water, maar leven met water. Kijk voor meer informatie over het programma op de website www.levenmetwater.nl.
Drinkwater
In Nederland is het vanzelfsprekend dat er schoon drinkwater uit onze kranen stroomt. We gebruiken gemiddeld ongeveer 125 liter drinkwater per persoon per dag, terwijl we slechts enkele liters water drinken. De overheid probeert het drinkwatergebruik terug te dringen, omdat:
- de productie van schoon drinkwater het milieu belast;
- het toenemende gebruik van drinkwater steeds meer geld en energie kost;
- de grondwaterspiegel daalt door grondwaterwinning (verdroging natuur).
Drinkwater besparen
Duurzaam omgaan met water betekent:
1. Bespaar op het gebruik van drinkwater
Zowel door ons gedrag (niet de kraan onnodig laten lopen, korter douchen) als met techniek kunnen we besparen op het gebruik van drinkwater. Enkele technische oplossingen zijn een waterbesparende kraan of douchekop en waterbesparende toiletspoeling. Een waterbesparend bad beperkt de hoeveelheid benodigd water door zijn vorm. Zuinige wasmachines en afwasmachines beperken zowel de hoeveelheid water als de benodigde elektrische energie. Hier kunt u een PDF-document downloaden met een overzicht van de waterbesparende maatregelen op een rij.
Ook bij de installatie zijn goed waterbesparende maatregelen te nemen, zoals het terugbrengen van het optimaliseren van de leidingloop van warmwaterleidingen: houd de afstanden tussen het verwarmingstoestel en de kraan kort, dan gaat er niet onnodig veel water verloren.
2. Een passende kwaliteit water gebruiken
Er valt veel drinkwater te besparen door voor bepaalde zaken geen drinkwater te gebruiken, maar hemelwater. Hemelwater van regen, sneeuw of hagel wordt van het dak in een reservoir opgevangen en gefilterd. Ook kan in sommige gevallen grijs water worden gebruikt. Grijs water komt van douche, bad, wastafel of wasmachine en wordt gezuiverd voordat het gebruikt kan worden. Grijs water en hemelwater zijn niet geschikt voor consumptie of persoonlijke verzorging, maar wel prima te gebruiken om mee schoon te maken, de wc door te spoelen, de tuin te besproeien, enzovoort.
Gezond binnenklimaat
Mensen zijn een groot deel van hun tijd binnen, bijvoorbeeld thuis, op het werk of op school. Het is belangrijk dat woningen, kantoren en scholen plekken zijn met een gezond binnenklimaat. Dat betekent dat in gebouwen:
- de lucht gezond is,
- er geen geluidsoverlast is,
- de temperatuur comfortabel is.
Lucht
Mensen voelen zich behaaglijk in een gebouw dat niet te warm of te koud is. Daarom worden gebouwen in de winter verwarmd en in de zomer soms juist koel gehouden. Veel gebouwen in Nederland -zeker nieuwe- zijn zeer goed geïsoleerd om energie te besparen. Ze houden warmte vast en laten geen koude lucht naar binnen stromen.
Isoleren helpt goed om de temperatuur in het gebouw gelijk en behaaglijk te houden. Maar het heeft een nadeel. Zonder goede ventilatie (het naar binnen laten stromen van verse buitenlucht en het afvoeren van vervuilde binnenlucht) hopen stoffen, vocht en dergelijke zich op. Dat leidt tot ongezonde binnenlucht.
In een te vochtig gebouw kunnen schimmels gaan groeien. Vocht, stof en schimmels, maar ook rook of haren en huidschilfers van huisdieren zijn slecht voor de gezondheid. Ze kunnen leiden tot bijvoorbeeld allergie, astma of hoofdpijn Ook kunnen ze deze kwalen verergeren bij mensen die ze al hebben. Goede ventilatie helpt om deze stoffen af te voeren. Lucht die van buiten komt is niet vanzelfsprekend gezond; ook die lucht kan (ernstig) vervuild zijn, maar in het algemeen is deze schoner dan de lucht in de woning.
Geluid
Nederland is erg dicht bevolkt, zeker in de Randstad. Verkeer, woningen en kantoren liggen dicht bij elkaar. Het geluid van dat verkeer kan de gebruikers van woningen en kantoren veel last bezorgen. Er zijn twee manieren om die overlast tegen te gaan:
- buiten de woning of het kantoor het geluid tegengaan; (de bron van het geluid aanpakken);
- aanpassingen aan het gebouw doen, zodat het geluid niet binnenkomt.
Er zijn veel verschillende manieren om het geluid van verkeer te beperken. Bijvoorbeeld een geluidswal bouwen, of een geluidreducerend wegdek. In het gebouw helpen bijvoorbeeld geluidwerend glas, of een dove gevel (een gevel zonder ramen en deuren die open kunnen).
Gezonde utiliteitsgebouwen
Een gezond binnenmilieu in utiliteitsgebouwen voorkomt dat mensen ziek worden en/of aandoeningen krijgen. Naast de schade voor de gezondheid van mensen is een slecht binnenmilieu ook slecht voor de bedrijfsvoering. Het binnenmilieu van een gebouw kan een zeer bepalende factor zijn voor de productiviteit van medewerkers. Daarnaast ligt het ziekteverzuim in een gebouw met een slecht binnenmilieu hoger dan in een gebouw met een gezond klimaat,verschillende factoren beïnvloeden het binnenklimaat van een gebouw:
- Locatie: kwaliteit van de buitenlucht, wind, geluid, zon en schaduw. Ook bijvoorbeeld 'belevingsaspecten' als bereikbaarheid van de locatie en voorzieningen in de horen hier bij.
- Ruimtelijke opzet: indeling van het gebouw en het gebruik van ruimten (functionele ordening, flexibiliteit van ruimtegebruik en oppervlakte per persoon).
- Inrichting: groen en water, kleurgebruik, materialen, communicatie, oriëntatiekwaliteit (dit zijn subjectieve, niet meetbare elementen).
- Privacy: wordt bepaald door het aantal mensen per werkruimte, inkijk, indeling, inrichting van vloer en werkplek, nagalmtijd en geluid(isolatie).
- Thermisch comfort: temperatuur, luchtsnelheid en relatieve luchtvochtigheid, maar ook de klimaatregeling en gebouwkenmerken (zoals werkzame massa, externe en interne warmtelast).
- Luchtverversing: luchtverversing (ventilatie), nodig om verontreinigde binnenlucht naar buiten af te voeren. Voor de beleving van gebruikers van ruimten is het van belang dat zij de ventilatie in de ruimte zelf kunnen regelen, liefst door gebruik te kunnen maken van te openen ramen.
- Geluid en akoestiek: geluidwering van de gevel, geluidsniveaus van installaties, geluidsisolatie tussen vertrekken en de akoestiek van ruimten.
- Licht en visueel comfort: daglichtfactor, verlichtingssterkte en lichtspectrum, maar ook ergonomische aspecten als storende/hinderlijke verblinding, spiegeling en lichtwering.
- Uitzicht: wordt bepaald door de afstand tot belemmeringen en tot het openbaar gebied en de kleur van het glas.
- Individuele controle werkomgeving: de controleaspecten van temperatuur, ventilatie (ook te openen ramen), verlichting en zon/lichtwering.
- Straling: elektrische en elektromagnetische straling, maar ook de 'natuurlijke' terrestrische straling en radon.
- Onderhoud en reinigbaarheid van gebouw en inrichting: wordt bepaald door bereikbaarheid van te reinigen oppervlakken en weinig scherpe hoeken waar vuil zich kan ophopen.
Deze aspecten komen uit de publicatiereeks 'Praktijkboek gezonde gebouwen' van SBR en ISSO. De reeks helpt bij het gezond ontwerpen, beheren en onderhouden van gebouwen en installaties.
Energiebesparende technieken
Hieronder staat een lijst energiebesparende technieken die zodanig technisch en financieel/economisch ontwikkeld zijn dat het proven technology is. Bij elke techniekbeschijving staan links naar achtergronddocumenten en websites.
U kunt bepalen welke technieken kansrijk zijn om energie-efficiënt te bouwen aan de hand van drie richtlijnen, de Trias Energetica.
Proven technology:
- Aquifiers
- Bodem als energiebron
- Domotica voor senioren
- Energiepalen
- Hoogrendementspompen
- Klimatologische bufferzone
- Lage Temperatuur Verwarming
- Optimalisering installaties in de gezondheidszorg
- Recirculatieplafond
- Schilisolatie
- Ventilatie
- Verlichting
- Warmtepompen
- Zonne-energie: PV
- Zonne-energie: thermisch
Bronnen
De techniekbeschrijvingen zijn door Vof RTB van Heugten/Huygen I.A in opdracht van SenterNovem opgesteld. Daarnaast is informatie uit relevante SenterNovem studies en marktverkenningen toegevoegd -veelal de complete rapporten- zoals bijvoorbeeld de Techniekinventarisaties van SenterNovem die inzicht geven in de State of the Art van besparende technieken en relevante onderzoeksrapporten uit het LTGO-programma.
Stooklijnen & binnenmilieu
De Stooklijn onder het mes
Maximaal comfort en 10-30% lagere energiekosten? Het begint bij de optimale stooklijn!
Onderzoeken bevestigen het keer op keer: een goed binnenklimaat in gebouwen is nodig om de gebruiker zich 'prettig' te laten voelen. Maar niet álle gebouwen - zeker de wat oudere - bieden voldoende comfort. Vaak ligt de oorzaak in een niet goed ingeregelde installatie of een niet optimaal ingestelde stook- en koellijn: de inregeling of instelling sluit dan niet (meer) aan bij de werkelijke koude- en warmtebehoefte.
Afstemmingsproblemen als deze komen niet zo maar uit de lucht vallen. Ze zijn vaak het gevolg van veranderende functies van afdelingen, een aanzienlijke toename van apparatuur of de ontwikkeling van aanbouw. Een gebouw waarin de installatie niet goed functioneert, veroorzaakt haast altijd ongemak en discomfort. Dikwijls leidt het zelfs tot verminderde prestaties en - in het ergste geval - ziekteverzuim.
Maak van een probleem een kans
Wie deze situatie in zijn eigen werkpraktijk herkent, hoeft daarvan niet wakker te liggen. TNO en ISSO hebben met subsidie van SenterNovem een nieuwe aanpak voor het bepalen van optimale stooklijnen ontwikkeld, waarmee comfortproblemen eenvoudig te lijf worden gegaan zonder dat daar dure apparatuur of andere kostbare aanpassingen voor nodig zijn. De aanpak levert bovendien flinke kansen voor energiebesparing: 10 tot 30% is mogelijk! Het 'probleem' wordt zo een kans!
Hoe werkt het?
In de ontwikkelde nieuwe aanpak springen drie elementen in het oog. Op de eerste plaats is dat de integrale benadering. Door bij het (opnieuw) inregelen en instellen niet alleen te kijken naar de specifieke probleemruimtes binnen een gebouw, maar naar het hele gebouw als zodanig, wordt voorkomen dat problemen verschuiven en de 'oplossing' elders voor nieuwe perikelen zorgt. Een ander kenmerk is het rekening houden met de beschikbare warmte in het gebouw (denk alleen al aan de warmte die computers afgeven) en het optimaal gebruik van koude(re) buitenlucht. Tenslotte moet de aanpak het gelijktijdig verwarmen en koelen helpen voorkomen. Dit komt er in het kort op neer dat de stooklijn van de luchtbehandeling 's winters lager wordt ingesteld en in de zomer de koellijn hoger dan nu gebruikelijk. Het gevolg is dat per ruimte beter individueel kan worden bij verwarmd of gekoeld; dit naar gelang de behoefte van de gebruiker. Een binnenklimaat op maat dus.
De verbeterde inregeling c.q. afstelling levert een aanzienlijke comfortbijdrage en verlaging van de energiekosten op. De feitelijke winst bedraagt echter nog veel meer, al zijn deze zaken lastiger in geld uit te drukken: het algemene welbevinden van de mensen in het gebouw, de verhoogde prestaties en een vermindering van het ziekteverzuim.
Verkenning
Natuurlijk zult u voor uzelf willen nagaan of de genoemde methode ook bij u rendement kan opleveren. Daarom is in het plan van aanpak een verkenningsfase opgenomen waarin snel en eenvoudig kan worden beoordeeld of, en in welke mate er maatregelen noodzakelijk dan wel wenselijk zijn. Wellicht is het een geruststellende gedachte dat áls u tot actie overgaat, de kosten ervan dankzij de geleverde energiebesparing vaak al binnen één jaar zijn terug te verdienen. Gebouwbeheerders van o.a. Postbank, ING Bank en Nationale Nederlanden gingen u voor. Dus wat let u?
Onderstaande figuren (concepten) illustreren het verschil tussen oude en nieuwe stooklijnen.
Figuur Oud: Traditioneel wordt de stooklijn bepaald door de gemiddelde warmte- en koudevraag (zwarte lijn).
![]()
Nieuw: De nieuwe aanpak staat voor afstemming op de werkelijke warmte- en koudevraag. Dit gebeurt door een basisniveau met de luchtbehandeling te realiseren (rode lijn) en individueel na te verwarmen of koelen.
![]()
Onderzoek toont aan dat een goed binnenklimaat de prestaties verhoogt en het ziekteverzuim terugdringt.
Duurzame Energie in Nederland
Het SenterNovem programma Duurzame Energie in Nederland (DEN) ondersteund organisaties en bedrijven met subsidies, praktische stappenplannen en het oplossen van problemen bij de toepassing van Duurzame Energie Installaties (DE-installaties). In het kader van DEN wordt u op deze site informatie geboden over:
- Actuele marktinformatie over de toepassing en kansen voor systemen;
- Visies uit de praktijk;
- BOA; een handige methode om een geschikt warmtepompsysteem te kiezen in een specifieke situatie;
- Voorbeelden van projecten;
- Organisaties en bedrijven die diensten leveren op het gebied van DE-systemen;
- Achtergrondinformatie, links en documenten.
We hopen u met deze informatie niet alleen te informeren, maar ook te inspireren om in de toekomst ambitieuze projecten met DE-installaties te realiseren!
Van OA naar BOA, een energietransitie
Door Roger Ravelli, SenterNovem
Zowel de bouw- als installatiewereld onderkennen de noodzaak dat voor de komende periode in hun sector de (verregaande) doelstellingen ten aanzien van CO2-reductie in de gebouwde omgeving en daaruit volgende toepassing van duurzame energie gerealiseerd zullen moeten worden, bij voorkeur op een kosteneffectieve manier. Traditioneel (in de installatietechniek) wordt de energievraag in de Utiliteitsbouw ingevuld door de inzet van fossiele brandstoffen. Het gebruik van deze brandstoffen is echter vanuit milieuoogpunt niet wenselijk en moet zoveel mogelijk beperkt worden. Daarbij is de rol van de opdrachtgever van cruciaal belang. Leg samen met de klimaatadviseur en/of commissioner de vraagspecificaties met de kwaliteitsniveaus vast. Dit kan gedaan worden door het aandeel Duurzame Energie (DE) in totaal primair Energiegebruik vast te leggen in het PVE.
Trias Energetica
Kies een klimaatadviseur die een integrale aanpak van gebouw, energieafgifte, (DE) bron en installaties en de TRIAS ENERGETICA methodiek hanteert. Een eerste vereiste voor inzet DE is namelijk: matiging temperatuurniveau's voor verwarmen en koelen. Pas dus laag temperatuur ververwarmen (LTV) en hoog temperatuur koelen (HTK) toe. Vermijd pieken en sterke fluctuaties. Ontwerp deze DE-installaties met een kritische capaciteitsberekening om overdimensionering van de warmtepomp te voorkomen.
Vroeg stadium
Dat er bij een bouwproces ontzettend veel komt kijken weet een opdrachtgever die regelmatig bouwt. Dat komt natuurlijk omdat er veel partijen zijn die allemaal een andere taal lijken te spreken en de risico's voortdurend willen afwentelen op hun opdrachtgever. Klimaatinstallaties worden opgebouwd uit systemen, systemen op hun beurt uit subsystemen en subsystemen uit componenten. Het ontwerpen van systemen (maar ook het beoordelen ervan) moet gebeuren in een zo vroeg mogelijk stadium van het ontwerpproces op een geschikt niveau van abstractie zonder onnodige detailballast mee te nemen. Het blijkt dat alle traditionele systemen in een gebouw analoog opgebouwd kunnen worden waarbij de volgende typen subsystemen vereist zijn:
Traditioneel: O-A
- Opwekking
- distributie
- Afgifte
Voor DE-energieinstallaties geldt echter de volgende indeling: B-O-A:
- Bron
- distributie
- Opwekking/omzetting
- Distributie
- Afgifte
Totaalsysteem
Juist de toevoeging van een Duurzame Bron is wat het project anders maakt. Een andere dimensie. Wat nodig is, is dat het DE-installatiesysteem als een totaalsysteem wordt benaderd waarbij de Bron, Warmtepomp en Afgiftesysteem met de regeltechniek op elkaar zijn afgestemd. Dit betekent dat de disciplines bouwfysica, installatietechniek, elektrotechniek en automatisering als een geheel tot stand komen. De kracht van het SenterNovem BOA-instrument blijkt juist bij toepassing in de ontwerp- en beslisfase van het bouwproces. De pictogrammen dwingen ons na te denken over in principe alle Bronnen, alle Omzetters, alle Afgifteapparaten, in combinaties die nu en in de afzienbare toekomst passen bij de infrastructuur, de stedenbouwkundige situatie, het bouwplan, het gebouwgebruik, de maatschappelijke ontwikkelingen.....Want waarom zo'n traditioneel CV-systeem gekozen? Om risico's uit de weg te gaan, of om geld te besparen?
Mes snijdt aan twee kanten
Systemen met energieopslag en warmtepomp zijn in de Utiliteitsbouw al lang geen bijzonderheid meer. Onderzoek, ontwerp en praktijkervaring uit de afgelopen tien jaar leren dat de toepassing van deze DE-installaties perspectief bieden op energie- en milieuvriendelijke koude- en warmteopwekking. Tegenover meerkosten staan aanzienlijke energie- en milieuvoordelen. In het energiegebruik snijdt het mes aan twee kanten, zowel de warmte- als koudeverbruikskosten worden aanzienlijk lager. Dat er geld mee te verdienen valt blijkt wel uit het feit dat er Turn-Key aanbieders zijn die projecten realiseren waarin de DE-installatie juridisch en economisch buiten de ontwikkeling van het project wordt gehouden, en ook bij dat bedrijf in eigendom blijft.
Goede afstemming noodzakelijk
Telkens blijkt dat een goede afstemming bij energieopslag en warmtepompen bepalend is voor het succes van dergelijke duurzame projecten. De lessen die we nu trekken is dat dit in de praktijk dat niet automatisch goed gaat. Een slimme opdrachtgever moet weten dat de huidige DE-installaties vaak complexe installaties zijn en dat de risico's vaak te groot zijn om pas bij het in bedrijfstellen van de installatie vast te kunnen stellen of de performance wel gehaald wordt. Er dienen al in voorgaande fasen van het ontwerp kwaliteitstoetsen te worden uitgevoerd.
Warmtepompen maken het mogelijk om warmte van een laag temperatuurniveau (restwarmte) te 'pompen' naar een hoger temperatuurniveau ten behoeve van ruimteverwarming. Bij een utiliteitsgebouw is de koudevraag een zeer geschikte restwarmtebron omdat de functie van de warmtepomp dan tweeledig is: primair het verzorgen van de warmtevraag en secundair de levering van 'gratis' restkoude. Omdat de koudevraag in tijd is verschoven ten opzichte van de warmtevraag (de warmtevraag is geconcentreerd in de winterperiode en de koudevraag juist in de zomer), wordt de bodem gebruikt ten behoeve van seizoensopslag (aquifer).

In de wintersituatie wordt de warmtepomp geregeld op basis van de warmtevraag. Het 'product' koude dat ter beschikking komt wordt gebruikt voor ruimtekoeling (winterkoeling) en het restant (veelal het grootste deel) wordt opgeslagen in de bodem.
In de zomersituatie is de beschikbare koude van de warmtepomp onvoldoende om het complex van koude te voorzien. Aanvullende koudelevering vindt plaats vanuit de bodem. Bij zeer warm weer zal ook dit onvoldoende zijn en wordt de warmtepomp op zomerbedrijf geschakeld: de warmtepomp wordt dan geregeld op koudevraag en het product warmte wordt gebruikt in het gebouw en het restant wordt in de bodem opgeslagen. Bij een goed gemodelleerde installatie zal dit overigens slechts beperkt plaatsvinden.
In onderstaande schema's is het proces weergegeven. Zoals te zien is treden bij het opslaan in de bodem temperatuurverliezen op door het gebruik van warmtewisselaars (TSA's) en bodemopslagverliezen.


Achtergrond techniek
Een warmtepomp is feitelijk een koelmachine die op warmtevraag wordt gestuurd. Bij een koelmachine worden de prestaties van het apparaat uitgedrukt in een COP-waarde (Coëfficiënt Of Performance). Deze waarde geeft de verhouding tussen geproduceerde hoeveelheid koude en de benodigde elektriciteit.
Bij een warmtepomp worden de prestaties eveneens uitgedrukt in een COP-waarde, waarbij de COP de verhouding aangeeft tussen geproduceerde hoeveelheid warmte en de benodigde elektriciteit. Omdat bij een warmtepomp de benodigde warmte nuttig wordt gebruikt, is de COP van een warmtepomp 1 hoger dan de COP van een koelmachine.

Vuistregels
De basis voor het ontwerp van een warmtepompinstallatie wordt gevormd door zowel de warmtevraag als de beschikbaarheid van de warmtebron voor de warmtepomp (in dit geval zowel direct als indirect (opslag) de koudevraag van het complex).
De warmtevraag dient voor een laag temperatuurniveau ontworpen te zijn (maximaal ca. 55 °C; bij voorkeur lager). Voorbeelden van lage temperatuurverwarming zijn vergrote radiatoren, vloer- en wandverwarming, klimaatplafonds, e.d. De investeringskosten voor de opwekking worden over het algemeen iets lager bij een lagere aanvoertemperatuur voor de c.v.; de kosten voor distributie en afgifte zijn echter hoger.
Omdat de koude wordt opgeslagen in de bodem, treden er opslagverliezen op. Koude uit de bodem is doorgaans beschikbaar op een temperatuurniveau van 10 °C. Een veel toegepast temperatuurtraject voor koeling in combinatie met bodemopslag is 10°C aanvoer en 18°C retour (hoge temperatuur koeling).
Bij toepassing van een warmtepomp is het belangrijk dat ongeveer even veel koude aan de bodem wordt onttrokken als opgeslagen. Bepalend hierbij is het patroon van de warmte- en koudevraag van het desbetreffende gebouw. Een mogelijke configuratie van een warmtepomp/aquifer-installatie kan zijn:
- Een aquifer die 50% van het benodigde koelvermogen kan leveren
- Een warmtepomp die in zomerbedrijf (lage condensortemperatuur) de resterende koude kan leveren
- Het vermogen van de warmtepomp in winterbedrijf zal dan beduidend (35 tot 50%) lager zijn. Het resterende vermogen voor verwarming wordt aangevuld met ketels.
Bij het ontwerp dient aandacht te worden besteed aan de balans over de bodem: deze dient gemiddeld (over meerdere jaren) nul te zijn. Met andere woorden: er wordt evenveel koude opgeslagen in de bodem als er uit wordt gehaald voor gebruik in het gebouw. Indien eventueel enigszins te veel koude wordt opgeslagen, kan dit mogelijk nog acceptabel zijn; een warmte-overschot wordt door de vergunningverlener niet geaccepteerd.
Methoden om de balans over de bodem te kunnen handhaven zijn:
- Bij een warmte-overschot c.q. er wordt meer koude onttrokken dan opgeslagen (in volgorde van wenselijkheid):
* Kies een warmtepomp met een betere COP (meer koudeproductie per eenheid geproduceerde warmte)
* Extra afzet van c.v.-warmte creëren (bijvoorbeeld voorverwarmen van warm tapwater).
* In de winter extra koude laden door middel van een koeltoren
* Gedurende enige tijd koelmachines gebruiken om koude te leveren (en zodoende minder koude te onttrekken)
- Bij een koude-overschot c.q. er wordt minder koude onttrokken dan opgeslagen (in volgorde van wenselijkheid):
* Extra warmte in de bodem opslaan met zonnecollectoren
* Gedurende enige tijd de ketels gebruiken om de c.v.-warmte te leveren (en de warmtepomp buiten bedrijf te stellen.
Met een warmtepomp-installatie zijn globaal de volgende besparingen mogelijk:
- EPC: de EPC is ongeveer 12% lager dan bij een installatie met een HR107-ketel (en een lage temperatuursysteem).
- de energiebesparing van een warmtepompinstallatie bedraagt circa 8 tot 10 m³ae per m² b.v.o.
- een CO2-reductie van circa 14 tot 18 kg per m² b.v.o.
- De meerinvesteringskosten voor een warmtepompinstallatie met bodemopslag zijn in verband met de bodemopbouw en de schaalgrootte zeer projectafhankelijk. Indicatief bedraagt de meerinvestering € 12,-- tot € 24,-- per m².
- De besparing in exploitatiekosten is circa € 2,-- per m² b.v.o. Hierin is inbegrepen dat een warmtepompinstallatie extra onderhoud vergt.
- Zonder subsidie is de terugverdientijd van een warmtepompinstallatie 6 tot 12 jaar.
Stand van zaken
Voorwaarde voor het toepassen van een warmtepompsysteem is de aanwezigheid van een laag temperatuursysteem. Het gaat om een bewezen techniek die in Nederland steeds meer wordt toegepast in de utiliteitsbouw. Hoewel het in de gezondheidszorg nog geen gemeengoed is, is bij een nieuwbouw ziekenhuis warmtepomp en bodemopslag (aquifer) een goed alternatief voor de energievoorziening.
Onderhoud en beheer
De kosten voor beheer, bediening, onderhoud en beheer dienen per project te worden bepaald. Over het algemeen zijn deze kosten bij toepassing van een warmtepomp met bodemopslag hoger dan bij een conventionele installatie.






